“Ik leidde een dubbelleven”

Nova (26) had een dwangstoornis.

De korstjes van je brood niet durven opeten, omdat je bang bent dat je erin stikt. Voor velen klinkt dat gek, maar voor Nova, een 26-jarige rechtenstudente uit Nederland, was dat de realiteit. Zes jaar lang bepaalde een dwangstoornis haar leven. Een controledwang die klein begon, maar langzaamaan volledig uit de hand liep.

Wanneer merkte u voor het eerst dat u last had van controledwang?   
“Op mijn achttiende was ik heel gestrest door de examens op mijn middelbare school. Toen merkte ik dat ik mijn mails overmatig controleerde. Ik moest ze tien keer nalezen voor ik ze verstuurde. Als ik de mails eenmaal had verzonden, keek ik nog tienmaal of ze naar de juiste ontvanger waren toegestuurd. Ik kon er niet van slapen en kwam vaak terug uit mijn bed om ze opnieuw te controleren. Het is niet dat ik dacht dat ik een dwangstoornis had, maar ik vond mijn eigen gedrag wel vreemd. Na mijn examens verdween die drang tot ik twintig jaar was. Op die leeftijd verloor ik mijn broer door moord. Daarna kwam de dwang veel heviger terug.”

Hoe manifesteerden de dwangklachten zich op uw twintigste? 
“Het begon met kleine dingen, maar niet met de mails zoals op mijn achttiende. Ik woonde op kamers (op kot, red.) en ik merkte dat ik een drang kreeg om bepaalde zaken te controleren voor ik mijn kamer verliet. Eerst ging ik alleen na of er stekkers in de stopcontacten zaten. Die haalde ik er allemaal uit. Vervolgens controleerde ik ook of de kraan dicht was. Later moest ik voelen of de deur echt op slot was. Op den duur moesten mijn spullen zelfs allemaal op een vaste plek liggen. Er kwam telkens meer bij.”

Wat gebeurde er als u een dwanghandeling niet verrichtte?      
“Zo’n handeling niet uitvoeren was geen optie. Soms probeerde ik zonder die gekkigheid mijn kamer te verlaten. Dan raakte ik enorm gestrest, nerveus en paniekerig. Ik bedacht allemaal rampscenario’s die zouden kunnen gebeuren als ik niet alle handelingen deed. Zo zou er een enorme brand uitbreken als ik een stekker in het stopcontact liet zitten. Dat er een hoop moet gebeuren om zo’n brand te laten ontstaan, drong niet tot me door.”

Waarom bedacht u juist die rampscenario’s?       
“Na de moord was ik bang dat mensen in mijn omgeving of mezelf iets ergs zou overkomen. De plotselinge dood van mijn broer deed me beseffen dat het leven echt vergankelijk was. Daar stond ik vroeger nooit bij stil. Door mijn dwanghandelingen probeerde ik te voorkomen dat er dingen gebeurden die anderen of mezelf schade konden toebrengen. Als ik de stekker in het stopcontact liet zitten en er brand ontstond dan konden de vlammen overslaan naar de buren. Zij zouden dan moeten lijden door mijn fout. Ook was ik zelf heel bang om dood te gaan.”

Bent u hulp gaan zoeken voor uw probleem?       
“Niet meteen. Ik denk dat ik twee of drie maanden zo heb rondgelopen. Ik dacht dat ik gek was geworden. Ik kon mijn eigen gedrag totaal niet plaatsen. Uiteindelijk ging ik naar de huisarts. Hij verwees me door naar een psychologe.”

Hoe vond u het om hulp te zoeken bij een psycholoog?  
“Ik ben heel nuchter en in het begin vond ik het maar een hoop gezeur. Ik had helemaal geen zin om te praten, maar ik wilde graag van mijn probleem af. Op basis van mijn klachten werd ik al snel gediagnosticeerd met obsessive compulsive disorder (OCD), oftewel een dwangstoornis. Na vijf afspraken kon de psychologe mij niet meer helpen vanwege bezuinigingen in de Nederlandse zorgsector. Snel vond ik een nieuwe psycholoog. Ook toen was ik nog niet bereid om mijn diepste gevoelens te delen. Ik deed alsof het allemaal goed ging en na een half jaar ging ik ‘gezond’ weer uit behandeling. Toch gek hoe zo’n psycholoog dat geloofde. Je zou denken dat juist hij door zulk gedrag heen zou kunnen prikken. Blijkbaar kon ik goed acteren.”

Gek genoeg trok niemand mijn verhalen in twijfel

Waren uw dwangklachten door die behandeling wel verminderd?
“Nee, helemaal niet, alhoewel ik mezelf dat heb doen geloven. Achteraf gezien stond ik op dat moment nog maar aan het begin van mijn dwangstoornis. Daarna nam de controledwang grotere vormen aan. Bijna alles kon in mijn ogen een aanleiding zijn voor een ramp. Ook bedacht ik dat ik mijn dwanghandelingen een bepaald aantal keren moest verrichten, namelijk drie keer. Je zou denken dat dat meevalt, maar dat was minstens drie keer en anders een veelvoud van drie. Het kon bijvoorbeeld niet vier keer zijn, maar wel zes of negen keer.”

Hoe beïnvloedden uw dwangbehandelingen uw dagelijks leven?
“Ik zag er steeds meer tegen op om naar buiten te gaan, omdat ik al die handelingen moest uitvoeren telkens voor ik mijn kamer verliet. Toch vermeed ik niets. Ik ging bijvoorbeeld gewoon naar school en sprak af met vrienden. Ik deed me bij anderen altijd voor als een vrolijke en positieve meid. Niemand wist dat ik thuis minstens een kwartier bezig was om alles ‘veilig’ achter te laten. Ik leidde een dubbelleven. De buitenwereld mocht niets merken van mijn probleem.”

Waarom was uw dwangstoornis een geheim voor de buitenwereld?    
“Ik dacht dat anderen me raar zouden vinden als ik ze de waarheid vertelde. Er was namelijk een programma over mensen met een dwangstoornis op de Nederlandse televisie en mijn omgeving vond hen gek of overdreven. Daarom schaamde ik me voor mijn gedrag. Alleen mijn ouders waren op de hoogte van mijn probleem. Zelfs mijn eigen zussen kon ik er niet over vertellen. Ik wilde niet dat zij zich zorgen zouden maken. Maar het werd moeilijker om het geheim te houden.”

Waarom?
“De dwangstoornis had mijn leven volledig in haar greep. Op den duur had ik mezelf wijsgemaakt dat ik geen harde etenswaren meer mocht eten, omdat ik erin zou kunnen stikken. Daarna at ik alleen vloeibaar voedsel, zoals soep of pap. Ik raakte kilo’s kwijt en had nergens puf voor. Mijn omgeving had dat door, maar ik verzon daarvoor altijd een andere medische verklaring. Na drie maanden trok mijn lichaam dat ‘dieet’ niet meer. Toen begon ik weer vast voedsel te eten. Toch bleef ik harde etenswaren, zoals korstjes van brood, stokbrood en snoep, vermijden door mijn angst voor verstikking. Ik kauwde minutenlang op één hap, zodat ik zeker niet zou stikken. Daardoor ging ik trager eten en at ik het liefst alleen. Ik zat op kamers, dus ik kon mezelf vaak afzonderen. Soms was ik in de weekenden bij mijn ouders en probeerde ik mee te eten met de voorgeschotelde maaltijd. Dan at ik minder, zodat ik op dezelfde tijd klaar was als de rest van het gezin. Ook autorijden vond ik te gevaarlijk worden. Ik zou per slot van rekening mensen kunnen aanrijden. Steeds vaker reed ik met iemand mee. Ik verzon altijd een excuus. Gek genoeg trok niemand mijn verhalen in twijfel.”

U vertelde dat u veel achterhield voor uw omgeving of tegen hen loog. Hoe beïnvloedde dat gedrag uw sociale relaties?
“Ik probeerde mijn sociale contacten te onderhouden, maar het werd moeilijker om de ‘normale’ vriendin uit te hangen met al mijn dwanghandelingen. Ik vond het nooit prettig om tegen mijn vrienden te liegen. Daarom stootte ik veel vrienden af. De waarheid vertellen kon ik gewoon niet. Oppervlakkige contacten had ik wel, maar daar ging ik bijvoorbeeld alleen op school mee om.”

Je krijgt wat je aankan

De dwangstoornis had invloed op uw dagelijks leven en op uw sociale contacten. Heeft u overwogen om opnieuw hulp te zoeken bij een psycholoog?
“In eerste instantie wilde ik geen hulp meer. Ik dacht dat mijn klachten gerelateerd waren aan mijn kamer. Ik woonde daar op het moment dat mijn broer overleed en ik was ervan overtuigd dat die negatieve herinnering voor mijn klachten zorgde. Om die reden verhuisde ik naar een andere kamer. Natuurlijk was dat geen oplossing voor mijn probleem. Daar werden de dwangklachten alleen maar erger. Uiteindelijk heb ik anderhalf jaar later opnieuw hulp gezocht, maar dan bij een andere psychologe. Ik verlangde naar een normaal leven, maar wilde mezelf weer niet blootgeven. Gelukkig prikte die psychologe daar doorheen. Ze drong langzaam tot de kern door. Alleen praten over mijn probleem was niet genoeg. Daarom kreeg ik ook cognitieve gedragstherapie. Hiervoor kwam een andere psychologe bij mij aan huis. Die therapie hield in dat ik elke week een opdracht kreeg om een bepaalde dwanghandeling te verminderen of helemaal niet meer uit te voeren. Ik moest leren omgaan met de spanning die daarbij kwam kijken.”

Was die therapie wel succesvol?    

“In het begin vond ik het moeilijk. Ik werd heel onzeker als ik een dwanghandeling niet mocht doen. Ik had al vijf jaar vertrouwen in die handelingen. Ik kon niet geloven dat er geen rampen zouden gebeuren als ik ermee zou stoppen. Door de intensieve therapie kwam ik langzaamaan tot het besef dat er geen rampen ontstonden. Emotioneel gezien was er ook veel werk. Toen het op dat vlak beter ging, had ik minder last van mijn controledwang. Na een jaar waren de dwanghandelingen sterk verminderd. Het einde van mijn therapie was in zicht, maar ik moest wederom door bezuinigingen in de Nederlandse zorgsector eerder uit behandeling. Dat is nu tien maanden geleden.”

Hoe is het u de afgelopen tien maanden vergaan?

“Ik had veel in mijn therapie geleerd, maar naar mijn idee was ik nog niet helemaal bevrijd van mijn dwang. Toch ging ik niet meteen op zoek naar een andere psycholoog. Ik wilde zelf proberen om mijn oude leven te hervatten. Op emotioneel vlak had ik veel ballast verloren, waardoor dat vrij goed lukte. Ook heb ik mijn sociale leven en oude vriendschappen weer opgepakt. Dat zorgde ervoor dat ik beter in mijn vel zat en minder dwanghandelingen moest verrichten. Helaas is de dwang nooit volledig uit mijn leven verdwenen. Mijn psychologe had me al eens gewaarschuwd dat de controledwang na zo’n lange tijd onderdeel wordt van je karakter. Dat merk ik nu. Zo moet ik nog steeds nagaan of de kraan echt goed dicht is. Gelukkig controleer ik dat nu maar één keer en bedenk ik er geen rampen meer bij. Ik moet altijd aan een uitspraak van de Nederlandse actrice Isa Hoes denken als het gaat over mijn strijd tegen de controledwang. Nadat haar man overleed, hoorde ik haar zeggen: ‘je krijgt wat je aankan’. Dat kan ik alleen maar beamen. Hoe hardnekkig mijn dwangklachten ook waren, ik sta er nu boven. Ik ben mijn dwangstoornis de baas.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *