Niet-EU-spelers, de vluchtelingen van het Europese voetbal

football-19448_960_720

Hun droom is om naar Europa te reizen en er carrière te maken. Maar vaak raken ze niet aan de noodzakelijke documenten om die droom te verwezenlijken. Het gaat hier niet over de vluchtelingen, maar over voetballers die afkomstig zijn uit een land dat niet tot de Europese Unie behoort. “De EU-landen hanteren allemaal verschillende criteria om werkvergunningen uit te delen en vaak is dat systeem pure discriminatie”, zegt spelersmakelaar Gunter Thiebaut.

In 2013 telde het Engelse Chelsea 5,4 miljoen euro neer voor de toen amper achttienjarige Wallace Oliveira dos Santos. De Braziliaanse rechtsachter werd bestempeld als een groot talent en hij zou de club van de Russische oliemagnaat Roman Abramovich mee naar Europese successen leiden. De onervaren Wallace kwam op dat moment echter nog niet in aanmerking voor een werkvergunning in Engeland en daarom stalden ‘The Blues’ de belofte-international bij Inter Milaan.

De bedoeling was dat de verdediger zich in Noord-Italië in de kijker zou spelen en dan was een selectie voor de Braziliaanse nationale ploeg een logische volgende stap. Maar dat draaide toch even anders uit. Wallace kon zich niet doorzetten in Milaan en ook latere uitleenbeurten aan het Nederlandse Vitesse en het Italiaanse Carpi werden geen succes. In januari van dit jaar keerde de inmiddels 21-jarige verdediger met hangende pootjes terug naar Brazilië, waar hij – alweer op huurbasis – onderdak vond bij Grêmio.

“Het verhaal van Wallace is zeker geen alleenstaand geval”, zegt sporteconoom Trudo Dejonghe (KU Leuven). “Engelse clubs – met Chelsea op kop – gaan zelfs regelmatig op die manier te werk. Ze trekken jonge talenten van overal ter wereld voor veel geld aan en stallen ze dan bij een buitenlandse club om hen ervaring te laten opdoen en in de hoop dat de coach van hun nationale ploeg hen opmerkt. Ondertussen hebben de Engelse topclubs een klein leger aan huurlingen lopen in Europa.”

FIFA-ranking

Om in Engeland een werkvergunning te kunnen krijgen, moeten niet-EU-voetballers immers voldoen aan strenge kwaliteitscriteria. Die zijn afhankelijk van de plaats die hun land van herkomst bekleedt op de FIFA-ranking. Elke speler van buiten de Europese Economische Ruimte (de landen van de EU + Noorwegen, Liechtenstein en IJsland, nvdr.) moet een werkvergunning krijgen om in Engeland aan de bak te kunnen. In principe komen enkel voetballers uit een land van de top 50 van de FIFA-ranking daarvoor in aanmerking. Bovendien moeten spelers tijdens de laatste twee jaar ook een percentage van de internationale wedstrijden met hun land hebben gespeeld. Dat percentage hangt alweer af van de plaats van hun land op de ranglijst van de wereldvoetbalbond: top tien (minstens 30%), tussen 11 en 20 (45%), tussen 21 en 30 (60%) en tussen 31 en 50 (75%).

“Zeker voor jonge spelers is het geen sinecure om aan dat percentage te komen, maar een sterke competitie als de Engelse kan zich dergelijke strenge voorwaarden wel permitteren. Iedereen wil aan de slag gaan in ‘the home of football’ en bij de uitkering van de werkvergunningen wordt al een eerste schifting doorgevoerd”, zegt Dejonghe.

Ook in andere EU-landen moeten voetballers van buiten de Unie aan bepaalde voorwaarden voldoen om een werkvergunning te kunnen krijgen. Die condities verschillen van land tot land, want de Europese Unie geeft haar lidstaten de vrijheid om zelf de regels rond de arbeidscontracten te bepalen. In België moeten niet-EU-voetballers bijvoorbeeld minimaal 76.800 euro per jaar verdienen om een arbeidskaart te kunnen krijgen. Volgend seizoen wordt dat bedrag verhoogd naar 78.400. “Voor eersteklasseclubs is dat bedrag een peulschil, want het gemiddelde spelersloon in de Jupiler Pro League bedraagt 254.000 euro”, zegt Stijn Boeykens van sportersvakbond ACV Sporta. “Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in ons land het aantal niet-EU-voetballers heel hoog blijft. Zij zien België met zijn beperkt minimumloon als een ideale opstap naar de Europese topcompetities.”

In vergelijking met Nederland stelt het minimumloon in België niet veel voor. Bij onze noorderburen geldt de 150%-regel: een niet-EU-speler moet 150% van het gemiddelde loon van een speler uit de Nederlandse eerste klasse verdienen. Daardoor moeten ploegen wel op zoek gaan naar spelers die een echte kwalitatieve meerwaarde bieden. Dit seizoen bedraagt dat minimumloon 395.000 euro per jaar. Voor spelers die jonger zijn dan 21 jaar zijn de regels minder strikt. Voor hen is dat loon vastgelegd op 197.000 euro per seizoen. Maar zelfs -21-jarige voetballers van buiten de EU verdienen dus tweeënhalf keer zoveel als een niet-EU-speler in onze hoogste afdeling.

Discriminatie

“Door hun hoge loon moeten niet-EU-voetballers veel sneller presteren en ze krijgen geen tijd om zich aan te passen aan de nieuwe omgeving waarin ze belanden. Ze zijn de dupe van hun nationaliteit en dat is in mijn ogen discriminatie. Wie goed kan voetballen is welkom, de rest niet”, zegt spelersmakelaar en ex-profvoetballer Gunter Thiebaut. “Je kunt clubs als Chelsea dan ook niets verwijten. Ze proberen te investeren in de toekomst en gaan daarbij volledig legaal te werk. Bovendien geven ze jongeren de kans om zich eerst op een lager niveau te ontwikkelen, buiten de schijnwerpers van het topvoetbal.”

Door hun hoge loon moeten niet-EU-voetballers veel sneller presteren en ze krijgen geen tijd om zich aan te passen aan de nieuwe omgeving waarin ze belanden.
– Gunter Thiebaut

Boeykens is het daar niet mee eens. “Het klopt dat de EU-landen proberen om homegrown spelers (profvoetballers die al sinds hun jeugd voor een club spelen, nvdr.) op verschillende manieren te beschermen, maar het is natuurlijk niet hun bedoeling om anderen te discrimineren”, zegt Boeykens. “De landen leggen minimumlonen op, maar verplichten clubs ook bijvoorbeeld om een bepaald aantal homegrown spelers in hun kern te hebben. Zo moeten in België minstens acht kernspelers hier zijn opgeleid. Die quota kunnen er echter niet voor zorgen dat de niet-EU-spelers ook een meerwaarde bieden. Daarvoor moet het minimumloon in ons land omhoog.”

Dejonghe treedt de mening van Boeykens bij. “Ik zou het Nederlandse systeem ook bij ons invoeren”, zegt hij. “Op die manier trek je kwaliteitsvolle spelers aan die de competitie naar een hoger niveau stuwen. En de regels mogen zelfs nog strenger zijn. Neem bijvoorbeeld van elke Belgische eersteklasser het gemiddelde loon van de vijftien bestbetaalde spelers en leg het minimumsalaris vast op 150% van dat bedrag. Met dat loon moét je wel beter zijn dan de gemiddelde speler. België is veel te genadig. Van alle landen in de top van de FIFA-ranking hanteren wij de minst strenge voorwaarden. Daardoor loopt het in onze competitie vol met derderangsvoetballers van buiten de EU die niet de minste meerwaarde bieden.”

Door de milde voorwaarden in België loopt het in onze competitie vol met derderangsvoetballers van buiten de EU die niet de minste meerwaarde bieden.
– Trudo Dejonghe

Achterpoortjes

Toch vinden de Europese clubs vaak achterpoortjes waarmee ze de wetgeving kunnen omzeilen. Dat was bijvoorbeeld zo bij de transfer van Chancel Mbemba, die deze zomer de overstap maakte van Anderlecht naar Newcastle United. De verdediger had al interlands gespeeld voor de Democratische Republiek Congo, maar dat land staat pas 57ste op de wereldranglijst van de FIFA. In principe kwam hij dus niet in aanmerking voor een werkvergunning in Engeland. Maar als ploegen de Engelse voetbalbond FIFA kunnen overtuigen dat de speler in kwestie ‘een grote meerwaarde kan betekenen voor de ontwikkeling van het Engelse topvoetbal’, dan krijgt hij alsnog een vergunning. Vorig seizoen werden 79% van die aanvragen geaccepteerd, waaronder dus ook die van Mbemba.

“En dan zijn er nog de ontelbare naturalisaties”, zegt Dejonghe. Door de strenge reglementen zullen spelers als Anderlechtaanvaller Matías Suárez nooit in Engeland kunnen voetballen. Ze raken nooit aan het nodige aantal interlands, maar om toch een werkvergunning te kunnen krijgen, dienen ze in een EU-land een aanvraag tot naturalisatie in. “Het gebeurt vaak dat spelers zich laten naturaliseren tot EU-burger en dan enkele maanden later andere oorden opzoeken. Dat is puur misbruik maken van ons systeem. De Europese Unie moet daar strenger tegen optreden”, aldus Dejonghe.

Volgens Dejonghe zijn er andere Europese landen die spelers op dit gebied minder in de weg leggen. “De voorwaarden tot naturalisatie in België zijn zeer toegeeflijk, maar toch strenger dan in de Zuid-Europese landen. Daar moet je bij wijze van spreken maar kunnen bewijzen dat je grootmoeder ooit met een Italiaan in bed heeft gelegen om de nationaliteit te krijgen.” In Spanje mag een ploeg bijvoorbeeld maar drie niet-EU-voetballers in haar 25-koppige kern hebben, maar die regel wordt relatief eenvoudig omzeild. Atlético Madrid heeft bijvoorbeeld acht spelers van buiten de EU op de loonlijst staan, maar vijf van hen vroegen al met succes de Italiaanse, Spaanse of Portugese nationaliteit aan. De grenzen van het wettelijke worden dus voortdurend afgetast.

Geef een reactie