[Column] Ik ga op reis en ik neem mee… Mijn koloniale erfenis

Beschamend lang heb ik gedacht als kind dat ik geen huidskleur had. Net zoals iemand die nooit zijn vingernagels lakt zich geen vragen stelt over zijn nagelkleur, zo was ik gewoon de standaard, ‘normaal’, zoals iedereen in mijn honderd percent blanke dorpje. Hoe ouder ik word, en hoe meer divers mijn omgeving, hoe blanker ik ben.

Blanker dan ooit ben ik vandaag, op een zweterige augustusavond in Nepal. In het Safari Resort in Chitwan gloeien de tegels van het binnenpleintje nog na van de verschroeiend hete zon. Enkele jonge Nepalese werkkrachten, pas klaar met hun lange shift, zitten samen te lachen in plastic tuinstoelen. Een van hen is Sandee, die ons gisteren bediende bij het eten. Hij is zeventien, vertelde hij ons toen, en lachte schelmachtig nadat hij ons vijf jaar ouder schatte dan we zijn. Hij merkte op dat voor ons, vroegtijdig verrimpelende westerlingen, Nepalezen net kinderen moeten lijken.

Op het programma voor vanavond staat een uitstapje naar het plaatselijke culturele centrum voor een traditionele dans van de Tharu, het inheemse volk dat zo’n veertig jaar geleden met vuur en stokslagen van hun gronden is gejaagd om plaats te maken voor het natuurreservaat. Op dezelfde gronden is ook dit hotel gebouwd, al verzwijgt men dat hier liever. Omdat de jeep nog tien minuten zal wegblijven, gaan we zitten op een stel planken die tot een geïmproviseerde bank aaneen gespijkerd zijn.

Overmeesterd door white guilt beeld ik me in dat het 1958 is en ik in Brussel naar de negerkooi sta te kijken. Pardon, het Congolese paviljoen.

Juist wanneer mijn bil contact maakt met het hout, komt de manager naar buiten gelopen. Wild gesticulerend excuseert hij zich. Waarvoor weten we niet, tot hij op Sandee en zijn vrienden afloopt en hen in het Nepali begint af te snauwen. Hij jaagt hen van hun stoelen af. We protesteren:“No sir, we’re fine, let the boys sit, please.” Maar de jongens zijn al overeind en gaan, met de voeten slepend, een metertje naar rechts staan. “Please sir, miss, sit here” zegt de manager terwijl hij naar ons grijnst. “Chairs for you, this is better.” Hij blijft de ruggen van de plastic stoelen verwachtingsvol vasthouden. We gaan zitten, verslagen, met het schaamrood op de blanke wangen.

De jeep arriveert en de enige andere gasten van het hotel, een familie rumoerige Chinezen, troepen al samen aan de deur. Er wordt hen opgedragen te wachten met instappen. De manager wenkt ons eerst en wijst de achterste bank aan, met dikke kussens die drie personen van een comfortabele zitplaats kunnen voorzien. De Chinezen worden met z’n vieren op elkaar gepropt op de rij voor ons. Terwijl ik in stilte een ironische Rosa Parks-actie begin te overwegen, fluistert Dario in mijn oor dat hij de chauffeur herkent. Het is dezelfde man die gisteren nonchalant had laten vallen dat hij Chinese gasten liever ziet gaan dan komen: “They are loud and dirty, like wild pigs”.

Hij vervoert ons naar een tochtig hok waar een twintigtal Tharu met getaande en geverfde huid synchroon dansen en zingen. Gekleed in grof katoenen rokken zwaaien ze met stokken en bootsen ze oorlogstaferelen na. Overmeesterd door white guilt beeld ik me in dat het 1958 is en ik in Brussel naar de negerkooi sta te kijken. Pardon, het Congolese paviljoen. Nepal is, anders dan Congo, nooit gekoloniseerd. Tenzij door toeristen zoals wij, bedenk ik cynisch.

Geef een reactie